Forbidden Music Regained


Leo Smit Stichting
Search this site

Symfonietta voor strijkers op. 66

By Géza Frid

genre
Orchestra
instrumentation
String orchestra (str)
duration
10 minutes
year
1963
location of manuscript
www.nederlandsmuziekinstituut.nl archive registration number 304/063-1
status
published score
order printed score here

Details

Andante capriccioso
Allegro giusto

Commissioned by the Ministerie van O. K. en W

De huidige muziektaal en haar moedige poging tot een 'Umwertung aller Werte' verkeert momenteel nog in een experimenteel stadium. Desalniettemin kan ook de componist wiens ontwikkeling op traditionele basis steunt, zich hier niet geheel buitenhouden: de thans actuele tegenstellingen tussen atonaal en tonaal, tussen pure klankkleur en 'ouderwets' motivische werkwijze brengen nu eenmaal problemen van allerlei aard met zich mee.
Ook de Symfonietta, waarvoor welbewust de sobere bezetting van strijkorkest werd gekozen, getuigt van deze conflicten; niet slechts door de menigvuldige contrasten der beide delen, waarvan het eerst een ijle klank en labiele opzet, het motorisch tweede een hechte vorm vertoont, maar ook door de talrijke botsingen op melodisch, harmonisch, contrapuntisch en instrumentaal gebied. Dat hier tenslotte het constructieve element en de tonaliteit de overwinning behalen, wil echter nog geen vingerwijzing naar de toekomst zijn. - GEZA FRID

About Géza Frid

Géza Frid

The Hungarian Géza Frid was one of the key figures in the post-war Dutch music world. To escape the dictatorship of his country of origin, he fled to the Netherlands in 1927. He always remained true to the musical language of his roots. As of 1941, Frid as a stateless Jew, was prohibited from performing in public. He became involved in illegal activities and the artists' resistance movement, and it's a miracle he survived the war. After the liberation, he resumed his life as an artist. For years he was one of the most frequently performed composers in the Netherlands. Since the turn of the twentieth century there was even a sort of “Frid-Renaissance.”

by Arthur Frid